Psalm 130; stap voor stap opklimmen uit de diepte

5 minuten lezen

De vorige keer schreef ik een overdenking over de verzen 3 en 4 van Psalm 150. Door een fout in de upload is er toen geen mail rondgestuurd. Wil je dat blog eerst lezen klik dan hier: Psalm 130:3 en 4. Toen zei ik al dat ik nog een keer terug wilde komen op deze psalm, want er zit nog veel meer in.

Psalm 130 is kort, acht verzen, maar er zit een mooie opbouw in. De dichter begint helemaal onderaan, in de diepte, en klimt daarna stap voor stap omhoog.

Een lied van opgangen

Boven Psalm 130 staat: ‘Een pelgrimslied’. In de Statenvertaling staat er ‘een lied Hammaäloth’. Het Hebreeuwse woord maäloth heeft te maken met treden, trappen of opgang. Het is een treffende titel voor deze psalm. Je kunt er namelijk een opgaande lijn in ontdekken. De dichter neemt steeds een nieuwe stap. Vanuit de diepte gaat hij omhoog, totdat hij uiteindelijk niet alleen zelf hoop heeft gevonden, maar ook anderen kan bemoedigen.

De acht verzen vallen daarbij heel mooi uiteen in vier gedeelten van telkens twee verzen. We kijken eerst terug naar de verzen die ik vorige keer al besproken heb

Stap één: roepen vanuit de diepte

De eerste twee verzen beginnen helemaal onderaan:

Psalm 130:1 en 2
1 Een pelgrimslied. Uit de diepten roep ik tot U, o HEERE;
2 Heere, hoor naar mijn stem. Laat Uw oren opmerkzaam zijn op mijn luide smeekbeden.

De dichter roept vanuit de diepte. Het gaat hier om zijn stem en om de oren van de HERE. Hij roept en vraagt God om te luisteren. Om opmerkzaam te zijn.

Maar hij realiseert zich ook dat wanneer God opmerkzaam is, dat Hij niet alleen ons gebed hoort, maar dat Hij alles van ons ziet. Ook onze ongerechtigheden. En daarmee komen we bij de volgende stap.

Stap twee: bij U is vergeving

In vers 3 en 4 staat:

3 Als U, HEERE, op de ongerechtigheden let, Heere, wie zal staande blijven?
4 Maar bij U is vergeving, opdat U gevreesd wordt.

Over deze verzen schreef ik de vorige keer uitgebreider. (zie: Waarom deze ene zin uit Psalm 130 bleef hangen).

De dichter beseft dat hij vanuit zichzelf niet voor God kan bestaan. Als God werkelijk al onze ongerechtigheden in rekening zou brengen, wie zou er dan overeind blijven?

Maar gelukkig stopt het daar niet. ‘Maar bij U is vergeving’; dat verandert alles. De psalmist kan God aanroepen in de wetenschap dat er bij Hem vergeving is. En die vergeving zorgt niet voor achteloosheid, maar juist voor ontzag.

Vanuit die wetenschap kan hij weer een volgende stap zetten.

Stap drie: ik verwacht de HERE

Dan komen we bij vers 5 en 6:

5 Ik verwacht de HEERE, mijn ziel verwacht Hem en ik hoop op Zijn woord.
6 Mijn ziel wacht op de Heere, meer dan wachters op de morgen, wachters op de morgen.

De stap die de dichter neemt, is om het alleen van de Heer te verwachten. Let eens op de vele herhalingen in deze verzen. Verwachten, wachten, hopen. De dichter wacht nog meer dan wachters op de morgen.

Door die woorden steeds opnieuw te gebruiken, benadrukt de dichter waar zijn aandacht nu ligt. Hij kijkt niet naar de diepte waarin hij zit. Hij kijkt ook niet naar zichzelf voor de oplossing. Hij verwacht het van de Heer. Hij hoopt op God, net zoals een wachter in de nacht uitziet naar het eerste licht van de morgen.

Acht keer de naam van de Heer

Er zit nog een mooi patroon in deze korte psalm. In alle vier de verzenparen — dus steeds twee verzen bij elkaar — noemt de dichter twee keer de Heer.

De eerste drie keren is het steeds een afwisseling. Eerst HERE, met hoofdletters. Dat is de vertaling van Jahweh, de Godsnaam. En de tweede keer in datzelfde verzenpaar staat er Heere, als vertaling van Adonai.

Maar in de laatste twee verzen verandert dat. Daar wordt twee keer Jahweh genoemd.

In deze korte psalm van maar acht verzen komt de Heer dus acht keer voor (vijf keer Jahweh en drie keer Adonai). De Heere staat centraal in deze psalm.

Stap vier: laat Israël hopen

Dan neemt de dichter nog een laatste stap

In vers 5 en 6 had hij besloten om het zelf van de Heer te verwachten. ‘Ik verwacht de HERE.’ Maar in vers 7 en 8 roept hij Israël op om hetzelfde te doen:

7 Laat Israël hopen op de HEERE, want bij de HEERE is goedertierenheid en bij Hem is veel verlossing.
8 Ja, Hij zal Israël verlossen van al zijn ongerechtigheden.

Ik vind het mooi om te zien hoe de dichter opkrabbelt uit het diepe dal waarin hij zit en hoe hij uiteindelijk zelfs anderen kan bemoedigen.

Eerst roept hij zelf, dan ontdekt hij dat er vergeving is. Vervolgens stelt hij zijn hoop en verwachting op de Heer. En uiteindelijk zegt hij tegen anderen: jullie mogen hetzelfde doen.

Stap voor stap omhoog

Misschien kunnen we diezelfde stappen ook in ons eigen leven herkennen. We mogen God aanroepen vanuit de diepte. Vanuit onze problemen, zorgen of verdriet. En als we ons realiseren dat we vanuit onszelf niet voor Hem kunnen bestaan, mogen we weten dat er bij Hem vergeving is. En vanuit die wetenschap mogen we onze hoop en verwachting op Hem stellen.

Totdat we misschien op een dag merken dat we niet alleen zelf bemoedigd zijn, maar ook anderen kunnen bemoedigen om hun hoop op de Heer te stellen.

Het lijken misschien grote stappen. Maar het mooie is: bij iedere stap staat de Heer centraal. Hij hoort de stem die vanuit de diepte tot Hem roept. Bij Hem is vergeving. Op Hem mogen we wachten en hopen. En bij Hem is goedertierenheid en veel verlossing.

Subscribe
Abonneren op
guest

0 Reacties
oudste
nieuwste
0
Ben benieuwd naar jouw mening, reageer gerust!x