Vijf of vier bedieningen in Efeze 4?

10 minuten lezen

Herders en leraars in Efeze 4:11

In een vorig blog heb ik geschreven over de vijfvoudige bediening naar aanleiding van Efeze 4:11. Daar heb ik de vraag gesteld of de invulling die in de charismatische beweging aan dit schriftgedeelte geeft, wel klopt. Zijn er vijf bedieningen en zijn er dan nu nog apostelen? Mijn conclusie was dat dit gedeelte niet gaat over hiërarchie in de kerk maar over de opbouw van een lichaam. Apostelen hebben het fundament gelegd en de kerk van vandaag kent geen apostelen. Bovendien wees ik erop dat Paulus in Efeze 4:11 niet vijf maar vier bedieningen beschrijft als hij het heeft over apostelen, profeten, evangelisten, herders en leraars.

Efeze 4:11 (STV)
En Dezelfde heeft gegeven sommigen tot apostelen, en sommigen tot profeten, en sommigen tot evangelisten, en sommigen tot herders en leraars;

Bij “apostelen”, “profeten” en “evangelisten” gebruikt Paulus telkens een afzonderlijk lidwoordconstructie (τοὺς μὲν/δὲ). Maar bij “herders en leraars” gebeurt iets opvallends: daar koppelt hij beide woorden grammaticaal aan elkaar door ze één lidwoord te geven.

Daarmee is nog niet gezegd dat herders en leraars precies hetzelfde zijn. Dat zou te kort door de bocht zijn. Maar het is evenmin juist om ze helemaal los van elkaar te maken. De tekst suggereert een nauwere verbinding tussen herders en leraars dan tussen bijvoorbeeld apostelen en evangelisten.

Een zorgvuldige conclusie is daarom: herders en leraars zijn onderscheiden, maar nauw verbonden. In dit blog wil ik deze conclusie verder toelichten, vanuit de kerkgeschiedenis en de betekenis van herderschap voor de gemeente.

Efeze 4:11 in de kerkgeschiedenis

De vroege kerk

De vroege kerk las Efeze 4:11 vooral als een tekst over Christus’ zorg voor Zijn gemeente. Christus geeft mensen aan de gemeente om haar op te bouwen, te onderwijzen en te bewaren. De vroege kerk vatte deze woorden niet op als een managementstructuur met losse “bedieningsprofielen”, maar als gaven van Christus voor onderwijs, leiding en bewaring van de gemeente.

Hiëronymus zag een sterke verbinding tussen herder en leraar. In zijn uitleg bij Efeze 4:11 maakt hij duidelijk dat een herder en onderwijs onlosmakelijk met elkaar zijn verbonden. Wie de kudde moet weiden, moet haar ook kunnen onderwijzen.

Hiëronymus, commentaar op Efeze
Want Hij zegt niet: ‘sommigen herders, en sommigen leraars’, maar ‘sommigen herders en leraars’, zodat wie herder is, ook leraar moet zijn. En in de kerken, hoe heilig ook, mag iemand zichzelf geen herder noemen, tenzij hij degenen die hij voedt, kan onderwijzen.

De kerkvaders geven niet altijd een volledig uitgewerkte ambtsleer zoals later bij de reformatoren. Maar ze laten wel zien dat de tekst niet individualistisch of statusgericht werd gelezen. De bedieningen staan in dienst van Christus’ gemeente.

In de reformatie

De reformatoren werken het onderscheid scherper uit. Vooral Calvijn is hier belangrijk. Calvijn erkent dat Efeze 4:11 vijf termen noemt: apostelen, profeten, evangelisten, herders en leraars. Maar hij maakt vervolgens onderscheid tussen buitengewone en blijvende ambten.

Volgens hem waren apostelen, profeten en evangelisten vooral gegeven voor de begintijd van de kerk, toen het fundament gelegd en het evangelie verbreid moest worden. Herders en leraars beschouwt hij als gewone, blijvende bedieningen voor de kerk.

Hij denkt dat herders en leraars niet zonder meer dezelfde persoon moeten zijn, hoewel ze in dezelfde ‘klasse’ behoren.

Calvijn, commentaar op Efeze
Sommigen gaan ervan uit dat pastors en leraren één ambt aanduiden, omdat de apostel niet, zoals in andere delen van het vers, zegt: ‘sommigen zijn pastors en sommigen zijn leraren’, maar: ‘τοὺς δὲ, ποιμένας καὶ διδασκάλους, en sommigen zijn pastors en leraren’. Chrysostomus en Augustinus zijn deze mening toegedaan; ……. Ik ben het gedeeltelijk met hen eens dat Paulus zonder onderscheid spreekt over pastors en leraren als behorend tot dezelfde klasse, en dat de term leraar tot op zekere hoogte van toepassing is op alle pastors. Maar dit lijkt mij geen voldoende reden om twee ambten, die naar mijn mening van elkaar verschillen, door elkaar te halen. Onderwijzen is ongetwijfeld de plicht van alle pastors; Maar om een ​​gezonde leer te handhaven, is talent voor het uitleggen van de Schrift nodig, en iemand kan leraar zijn zonder bevoegd te zijn om te preken. (Bron)

Calvijn gaat er van uit dat apostelen, profeten én evangelisten tot de fundament van de kerk behoren.

Het is ook belangrijk om te benadrukken dat van de vijf ambten die hier worden genoemd, er niet meer dan de laatste twee bedoeld zijn om permanent te zijn. Apostelen, evangelisten en profeten werden slechts voor een beperkte tijd aan de kerk geschonken, behalve in gevallen waarin de religie in verval is geraakt en evangelisten op een buitengewone manier worden aangesteld om de zuivere leer die verloren is gegaan te herstellen. Maar zonder predikanten en leraren kan er geen bestuur van de kerk zijn. (Bron)

In zijn Institutie werkt Calvijn diezelfde gedachte verder uit. Hij noemt apostelen, profeten en evangelisten tijdelijke of buitengewone bedieningen, terwijl herders en leraars blijvende betekenis hebben voor de regering en opbouw van de kerk. (Bron)

De hoofdlijn is duidelijk: tijdens de reformatie las men Efeze 4:11 niet als bewijs voor een blijvende kerkstructuur waarin hedendaagse apostelen en profeten een normaal ambtelijk gezag over de kerk hebben. De nadruk lag op de blijvende bediening van het Woord door herders en leraars.

Ná de reformatie

In de bijbelgetrouwe uitlegtraditie sinds de reformatie, leest men ook Efeze 4:11 niet als een blijvend vijfvoudig bestuursmodel voor de kerk. Uitleggers als John Wesley, Matthew Henry, Darby, Kelly, Ellicott en Jamieson-Fausset-Brown maken onderscheid tussen buitengewone, funderende bedieningen uit de begintijd en gewone, blijvende Woordbediening. Bij “herders en leraars” verschillen zij in de precieze formulering: sommigen zien één ambt, anderen twee onderscheiden functies. Maar vrijwel allen erkennen een nauwe verbinding. De herder moet kunnen onderwijzen; de leraar dient de opbouw van de gemeente door het Woord.

Wesley zegt bijvoorbeeld:

En onder zijn andere vrije gaven gaf hij enkele apostelen – zijn voornaamste dienaren en bijzondere getuigen, omdat zij hem na zijn opstanding hadden gezien en direct van hem hun opdracht hadden ontvangen. En enkele profeten, en enkele evangelisten – een profeet getuigt van toekomstige dingen; een evangelist van dingen uit het verleden: en dat vooral door het evangelie te prediken vóór of na een van de apostelen. Al deze ambtenaren waren buitengewone functionarissen. De gewone ambtenaren waren: enkele herders – die over hun respectievelijke kuddes waakten. En enkele leraren – van dezelfde of een lagere orde, om hen bij te staan, al naar gelang de omstandigheden. (Bron)

De herder als iemand die voedt en beschermt

Het woord “herder” roept in onze tijd gemakkelijk een zacht beeld op: iemand die zorgt, goed kan luisteren, troost en dichtbij de mensen is. Dat hoort er zeker bij. Maar de Bijbelse invulling van herderschap is breder en steviger. Een herder voedt de kudde, leidt haar, bewaakt haar en beschermt haar tegen gevaar.

In de gemeente gebeurt dat vooral door het Woord.

Daarom is het belangrijk dat een herder of voorganger niet alleen pastorale warmte heeft, maar ook kan onderwijzen. Paulus schrijft over de opziener:

1 Timotheüs 3:2
Een opziener nu moet onberispelijk zijn, de man van één vrouw, beheerst, bezonnen, eerbaar, gastvrij, bekwaam om te onderwijzen.

Die laatste woorden zijn veelzeggend: bekwaam om te onderwijzen. Een opziener moet niet alleen betrouwbaar van karakter zijn, maar ook in staat zijn om onderwijs te geven. Niet iedere opziener hoeft een begaafd publiek spreker te zijn, maar hij moet wel het Woord kunnen uitleggen.

In Titus 1:9 zegt Paulus over een opziener:

Titus 1:9
Iemand die zich houdt aan het betrouwbare woord, dat overeenkomstig de leer is, zodat hij bij machte is anderen te bemoedigen door het gezonde onderwijs en ook de tegensprekers te weerleggen.

Hier verbindt Paulus het werk van een opziener direct met gezonde leer. De herder moet kunnen vermanen, onderwijzen en weerleggen. Dat is de juiste pastorale zorg. Want dwaalleer verwart en beschadigt de kudde. Goede leer is daarom geen luxe, maar bescherming.

Ook in de tweede brief aan Timotheüs noemt Paulus de bekwaamheid om te onderwijzen belangrijk:

2 Timotheüs 2:24
Een dienstknecht van de Heere moet geen ruzie maken, maar vriendelijk zijn voor allen, bekwaam om te onderwijzen, en iemand die de kwaden kan verdragen.

Niet elke leraar is automatisch herder

Tegelijk moeten we de andere kant ook vasthouden. Wanneer Paulus herders en leraars nauw verbindt, betekent dat niet noodzakelijk dat elke leraar ook een herder of opziener is.

Het Nieuwe Testament kent duidelijk een bredere plaats voor onderwijs in de gemeente. 1 Korinthe 12:28 noemt leraars apart als door God gegeven in de gemeente. Jakobus 3:1 waarschuwt dat niet velen leraars moeten willen zijn, omdat zij een zwaarder oordeel zullen ontvangen. Leraars dragen dus verantwoordelijkheid, maar dat betekent niet automatisch dat zij ook pastorale opzieners zijn.

Paulus noemt zichzelf een apostel, prediker en leraar (van de heidenen). Hij was echter geen pastor of opziener.

1 Timotheüs 2:7
Daartoe ben ik aangesteld als prediker en apostel (ik zeg de waarheid in Christus, ik lieg niet), als een leraar van de heidenen in geloof en waarheid.
2 Timotheüs 1:11
waarvoor ik aangesteld ben als prediker, apostel en leraar van de heidenen.

Ik denk dat de verhouding asymmetrisch is:

Een herder moet kunnen onderwijzen.
Maar een leraar hoeft niet per se een herder/opziener te zijn.

Een herder die geen onderwijs kan geven, is Bijbels gezien problematisch. Maar een leraar zonder een volledige pastorale rol, is dat niet. Zolang zijn onderwijs maar gezond, toetsbaar en ingebed is in de gemeente.

Vier of vijf bedieningen?

De vraag of Efeze 4:11 over vier of vijf bedieningen spreekt, vraagt om voorzichtigheid.

Wie zegt: “Het zijn gewoon vijf losse bedieningen”, mist de nauwe verbinding tussen herders en leraars.

Wie zegt: “Het zijn eigenlijk maar vier, want herder en leraar zijn precies hetzelfde”, zegt waarschijnlijk te veel.

De beste benadering is: Paulus noemt meerdere gaven of bedieningen, maar de laatste twee staan dichter bij elkaar. Ze zijn te onderscheiden, maar niet te scheiden. De grammatica van Efeze 4:11 verbindt herders en leraars nauwer met elkaar dan met de andere genoemde groepen. Maar ze zijn niet volledig identiek.

Waarom dit vandaag belangrijk is

Deze uitleg helpt ons om nuchter en Bijbels naar bedieningen en voorgangerschap te kijken. Een gemeente heeft geen voorgangers nodig die alleen kunnen organiseren. Ook geen leiders die vooral inspireren, motiveren of richting geven. Dat kan allemaal nuttig zijn, maar het raakt niet de kern.

De kern is dat de kudde van Christus wordt gevoed met het Woord van Christus.

Daarom moet een herder kunnen onderwijzen. Hij moet de Schrift kunnen openen en gezonde leer kunnen uitleggen. Hij moet kunnen onderscheiden waar onderwijs scheefgroeit. Hij moet niet alleen kunnen troosten, maar ook kunnen waarschuwen en vermanen.

Tegelijk is het goed om ruimte te laten voor leraars die niet noodzakelijk dezelfde pastorale taak dragen als herders of opzieners. Iemand kan een gave hebben om onderwijs te geven, te schrijven, catechese te verzorgen of Bijbelstudie te leiden, zonder daarmee automatisch voorganger of ouderling te zijn. Maar ook dan blijft gelden: onderwijs in de gemeente moet altijd getoetst worden aan de Schrift.

Een evenwichtige conclusie

Efeze 4:11 leert ons niet dat herders en leraars exact hetzelfde zijn. Maar de tekst leert evenmin dat ze los van elkaar staan.

De herderlijke bediening heeft een wezenlijke leerfunctie. Een herder die niet kan onderwijzen, mist een belangrijk deel van zijn roeping. De leraar dient de gemeente met onderwijs, maar hoeft niet altijd dezelfde pastorale of ambtelijke verantwoordelijkheid te dragen als de herder/opziener.

De kerkgeschiedenis bevestigt deze nuchtere lijn. De kerkvaders zagen de bedieningen als gaven van Christus tot opbouw van Zijn gemeente. De reformatoren maakten duidelijk onderscheid tussen tijdelijke, funderende bedieningen uit de begintijd en blijvende Woordbediening in de kerk. Dit onderscheid is tot in onze tijd verdedigd door bijbelgetrouwe dienstknechten van God.

De ‘vijfvoudige bediening’ van de New Apostolic Reformation is daarom een breuk met 2000 jaar Schriftuitleg en heeft exegetisch een zeer wankele basis.

Subscribe
Abonneren op
guest

1 Reactie
oudste
nieuwste
Inline Feedbacks
View all comments
Anja Bezemer
Anja Bezemer
22 uur geleden

Dankjewel Jolande voor je heldere uitleg.
Ook over de kerkgeschiedenis.

1
0
Ben benieuwd naar jouw mening, reageer gerust!x