De gerechtigheid uit het geloof: Rom.10:4-13

12 minuten lezen

Inleiding

In Romeinen 1:16 en 17 heeft Paulus het onderwerp van zijn brief aangekondigd: de rechtvaardiging uit het geloof. De kracht van God om gered te worden, wordt geopenbaard “uit geloof en tot geloof”. In Romeinen 10 legt Paulus uit dat zijn broeders naar het vlees, de Israëlieten, deze belangrijke waarheid niet begrepen hebben. Zij bleven proberen om gerechtvaardigd te worden door de wet te houden. Maar inmiddels was het einddoel van de wet gekomen: Christus.

In Romeinen 10:4 tot en met 13 laat Paulus het Oude Testament spreken. De rechtvaardiging uit het geloof, in plaats van uit het doen van de wet, is daar al aangekondigd. Hij citeert uit Leviticus, Deuteronomium, Jesaja en Joël. Vooral zijn citaat uit Deuteronomium is moeilijk te begrijpen. Het is lastig om zijn redenering te volgen. Toch hoop ik te laten zien wat hij met deze verzen bedoelt.

opbouw van deze studie

  • Verzen 4 en 5: Wat is de gerechtigheid uit de wet? Dat staat in Leviticus 18;
  • Verzen 6 en 7: Wat is de gerechtigheid uit het geloof? Dat legt Paulus uit aan de hand van Deuteronomium 30;
  • Verzen 8-10: Hoe werkt het geloof? Het gaat om wat in je hart is en wat je met je mond belijdt;
  • Verzen 11-13: Jesaja en Joël hebben al geprofeteerd dat God iedereen redt die Hem aanroept en gelooft.

Verzen 4 en 5: Het einddoel van de wet

4 Want het einddoel van de wet is Christus, tot gerechtigheid voor ieder die gelooft.
5 Want Mozes schrijft over de gerechtigheid die uit de wet is: De mens die deze dingen gedaan heeft, zal daardoor leven.

Vers 4: Einddoel van de wet

Paulus zegt dat Christus het einddoel is van de wet. Het woord “einddoel” (telos in het Grieks) geeft de twee aspecten aan die hij wil overbrengen. De wet is beëindigd, namelijk vervuld in en door Jezus Christus. Tegelijk is daarmee het doel van de wet bereikt. De mens die probeert de wet te houden, ontdekt dat hij dat niet kan en dat hij genade nodig heeft. Als het goed is, drijft de wet de mens in de armen van Christus.

Paulus heeft al veel over de wet gezegd in deze brief. Vooral in hoofdstuk 7 waar hij uitlegt hoe de wet ervoor zorgt dat we de zonde leren herkennen als een bewuste overtreding van Gods richtlijnen. (Zie deze studie: De wet leert de zonde kennen: Rom.7:7-12). En dat we, naar het vlees, de wet niet kunnen houden, zelfs al we het willen. (Zie deze studie: Inwendige strijd: Rom.7:13-26).

Vers 5: Leviticus 18 en de gerechtigheid die uit de wet is

Paulus citeert eerst een vers uit Leviticus 18. In dat hoofdstuk waarschuwt de Heere het volk dat ze niet de gebruiken van Egypte of de gebruiken van de volken in Kanaän mogen overnemen.

Leviticus 18:4-5
4 Mijn bepalingen moet u houden en Mijn verordeningen moet u in acht nemen door daarnaar te wandelen. Ik ben de HEERE, uw God.
5 Mijn verordeningen en Mijn bepalingen moet u in acht nemen. De mens die ze houdt, zal erdoor leven. Ik ben de HEERE.

De gerechtigheid die uit de wet is, heeft te maken met de wandel van de mens. De mens die de wet houdt, zal daardoor leven. Kan de mens dat? Sommige mensen komen heel ver. Paulus zegt dat hij “naar de gerechtigheid die in de wet is, onberispelijk was” (Filippenzen 3:6). Toch was dat niet voldoende, want hij heeft het allemaal opgegeven om Christus te winnen.

We lezen in de brief van Jakobus dat niemand de wet volmaakt kan houden:

Jakobus 2:10
Want wie de hele wet in acht neemt, maar op één punt struikelt, die is schuldig geworden aan alle geboden

Zie ook Jakobus 3:2. Daarom is er een andere gerechtigheid nodig.

Verzen 6 en 7: De gerechtigheid uit het geloof

6 De gerechtigheid echter die uit het geloof is, spreekt aldus: Zeg niet in uw hart: Wie zal naar de hemel opklimmen? Dat is Christus naar beneden brengen.
7 Of: Wie zal in de afgrond neerdalen? Dat is Christus uit de doden naar boven brengen.

Deuteronomium 30 en de gerechtigheid uit het geloof

Tegenover de gerechtigheid uit de wet zet Paulus de gerechtigheid uit het geloof. En hij ziet de gerechtigheid uit het geloof aangekondigd in een ander gedeelte van de Thora. Hij citeert uit Deuteronomium 30. In het onderstaande citaat heb ik de zinnen die Paulus gebruikt vetgedrukt gemaakt:

Deuteronomium 30:10-16
10 wanneer u de stem van de HEERE, uw God, gehoorzaam bent door Zijn geboden en Zijn verordeningen, die in dit wetboek geschreven zijn, in acht te nemen; wanneer u zich bekeert tot de HEERE, uw God, met heel uw hart en met heel uw ziel.
11 Want dit gebod, dat ik u heden gebied, is niet te moeilijk voor u en het is niet ver weg.
12 Het is niet in de hemel, zodat u zou kunnen zeggen: Wie zal voor ons naar de hemel opstijgen om het voor ons te halen en ons te laten horen, zodat wij het kunnen doen?
13 Het is ook niet aan de overzijde van de zee, zodat u zou kunnen zeggen: Wie zal voor ons oversteken naar de overzijde van de zee om het voor ons te halen en het ons te laten horen, zodat wij het kunnen doen?
14 Want dit woord is heel dicht bij u, in uw mond en in uw hart, om het te doen.
15 Zie, ik heb u heden het leven en het goede voorgehouden, maar ook de dood en het kwade.
16 Want ik gebied u heden de HEERE, uw God, lief te hebben, in Zijn wegen te gaan en Zijn geboden, Zijn verordeningen en Zijn bepalingen in acht te nemen. Dan zult u leven en talrijk worden, en zal de HEERE, uw God, u zegenen in het land waar u naartoe gaat om het in bezit te nemen.

Mozes lijkt hier hetzelfde te zeggen als in Leviticus 18. Dat ze de wet moeten houden en doordoor leven en zegen zullen ontvangen (vers16). Maar Paulus ziet in dit gedeelte een aankondiging over de gerechtigheid uit het geloof.

Hebben de toehoorders van Mozes, het begrepen zoals Paulus het uitlegt? Misschien moeten we die vraag met nee beantwoorden. Maar toch heeft Paulus goede redenen om dit gedeelte uit Deuteronomium toe te passen op de rechtvaardiging uit het geloof. Ik kijk daarvoor eerst naar de context van het citaat in het boek Deuteronomium. Dan naar de zinnen die hij citeert en hoe hij die toepast op Christus.

Context in Deuteronomium

Het citaat wat Paulus gebruikt staat aan het eind van Deuteronomium.
In hoofdstuk 28 geeft Mozes een toespraak waarin hij de Israëlieten de zegen en de vloek voorhoudt. Zegen als ze God gehoorzamen en Zijn geboden nauwlettend in acht nemen (Deuteronomium 28:1-14). Maar vervloeking als ze ongehoorzaam zijn (Deuteronomium 28:15-68).
In hoofdstuk 29 geeft Mozes een pessimistische vooruitblik op wat er zal gebeuren als het volk in het beloofde land is. Hij profeteert dat alle vervloekingen over het volk zullen komen.
Dan begint hoofdstuk 30 met een prachtige belofte:

Deuteronomium 30:1-3
1 Het zal gebeuren, wanneer al deze dingen, de zegen en de vervloeking die ik u voorgehouden heb, over u komen, dat u het weer ter harte zult nemen onder alle volken waarheen de HEERE, uw God, u verdreven heeft.
2 En u zult zich bekeren tot de HEERE, uw God, en Zijn stem gehoorzaam zijn, u en uw kinderen, met heel uw hart en met heel uw ziel, overeenkomstig alles wat ik u heden gebied.
3 Dan zal de HEERE, uw God, een omkeer brengen in uw gevangenschap en Zich over u ontfermen. Hij zal u weer bijeenbrengen uit al de volken waarheen de HEERE, uw God, u verspreid had.

Hoofdstuk 30 blikt dus vooruit naar de verre toekomst, als het volk zich met hart en ziel zal bekeren tot de Heere en verzameld zal worden uit alle volken waarheen ze verstrooid zijn. In dat verband staan de verzen die Paulus aanhaalt in Romeinen 10.

Vers 6: Opklimmen naar de hemel

Zeg niet in uw hart: Wie zal naar de hemel opklimmen? Dat is Christus naar beneden brengen.

In Deuteronomium zegt Mozes dat het volk niet naar de hemel hoeft om de geboden zelf op te halen. Paulus laat zien dat het uiteindelijk gaat om Christus. Hij is immers het einde van de wet, Hij heeft de wet vervuld. Wij hoeven niet zelf naar de hemel op te klimmen. Christus is vanuit de hemel naar ons gekomen, wij kunnen Hem niet halen.

Vers 7: Neerdalen in de afgrond

Of: Wie zal in de afgrond neerdalen? Dat is Christus uit de doden naar boven brengen.

Opnieuw brengt Paulus, Christus naar voren als de uiteindelijke vervulling van dit vers in Deuteronomium. Christus is opgestaan uit de doden, wij kunnen daar niet zelf voor te zorgen.

Hier lijkt Paulus de woorden van Mozes heel vrij te citeren. Mozes spreekt over “oversteken naar de overzijde van de zee” om de geboden op te halen. Paulus legt het uit als “neerdalen in de afgrond”. Als we naar de Griekse woorden kijken dan blijkt dat Paulus ook gedacht heeft aan Psalm 107:26 waar sprake is van “oprijzen naar de hemel en neerdalen in de diepe wateren”. In de Griekse vertaling van Psalm 107 is “abbysos” het woord voor diepe wateren. Dat woord gebruikt Paulus in Romeinen 10 voor afgrond. In de Bijbel wordt de zee vaker als metafoor voor het graf gebruikt.

Verzen 8, 9 en 10: Het woord van het geloof

8 Maar wat zegt zij? Dicht bij u is het Woord, in uw mond en in uw hart. Dit is het Woord van het geloof, dat wij prediken:
9 Als u met uw mond de Heere Jezus belijdt en met uw hart gelooft dat God Hem uit de doden heeft opgewekt, zult u zalig worden.
10 Want met het hart gelooft men tot gerechtigheid en met de mond belijdt men tot zaligheid.

Het woord is dichtbij; in je hart en in je mond

Mozes zegt in Deuteronomium 30:14: Want dit woord is heel dicht bij u, in uw mond en in uw hart, om het te doen. Paulus legt de nadruk op de mond en het hart. Het woord dat dichtbij is, is het woord van het geloof. Het geloof in de Here Jezus belijden we met onze mond. En het moet voortkomen uit een gelovig hart. Deze twee moeten samengaan. Regelmatig lezen we in het Oude Testament het verwijt aan Israël dat ze God wel met hun mond dienden, maar niet met hun hart:

Jesaja 29:13
De Heere zei: Omdat dit volk tot Mij nadert met zijn mond en zij Mij eren met hun lippen, maar hun hart ver van Mij houden, en hun vrees voor Mij slechts een aangeleerd gebod van mensen is,

Psalm 78:36 en 37
36Maar zij vleiden Hem met hun mond en logen tegen Hem met hun tong.
37 Want hun hart was niet standvastig bij Hem, en zij waren niet trouw aan Zijn verbond.

God dienen onder het Oude Verbond en onder de wet kon niet vanwege de zondige natuur van de mens. Gelukkig heeft Jeremia geprofeteerd dat de Heere zou zorgen voor een Nieuw Verbond:

Jeremia 31:31-33
31 Zie, er komen dagen, spreekt de HEERE, dat Ik met het huis van Israël en met het huis van Juda een nieuw verbond zal sluiten,
32 niet zoals het verbond dat Ik met hun vaderen gesloten heb op de dag dat Ik hun hand vastgreep om hen uit het land Egypte te leiden-Mijn verbond, dat zij verbroken hebben, hoewel Ík hen getrouwd had, spreekt de HEERE.
33 Voorzeker, dit is het verbond dat Ik na die dagen met het huis van Israël sluiten zal, spreekt de HEERE: Ik zal Mijn wet in hun binnenste geven en zal die in hun hart schrijven. Ik zal hun tot een God zijn en zíj zullen Mij tot een volk zijn.

Dat nieuwe zou het oude vervangen waaraan Israël ontrouw was geworden. Dan zou God Zijn wet in de harten van mensen schrijven. Dat Nieuwe Verbond is het evangelie, het Woord, wat Paulus predikt. Dat verandert mensenharten.

Verzen 11, 12 en 13: Het is voor iedereen

11 Want de Schrift zegt: Ieder die in Hem gelooft, zal niet beschaamd worden.
12 Er is immers geen enkel onderscheid tussen Jood en Griek. Want Een en dezelfde is Heere van allen en Hij is rijk voor allen die Hem aanroepen.
13 Want ieder die de Naam van de Heere zal aanroepen, zal zalig worden.

In deze verzen haalt Paulus Jesaja 28:16 en Joël 2:32 aan. Al in het Oude Testament werd geprofeteerd dat God ook de heidenen aanneemt als ze Hem aanroepen. Er is daarbij geen onderscheid tussen Jood en Griek. Daarmee zijn we weer terug aan het begin van Paulus’ brief. Toen hij het het onderwerp van zijn brief aankondigde in Romeinen 1:16 en 17:

Romeinen 1:16-17
16 Want ik schaam mij niet voor het Evangelie van Christus, want het is een kracht van God tot zaligheid voor ieder die gelooft, eerst voor de Jood, en ook voor de Griek.
17 Want de gerechtigheid van God wordt daarin geopenbaard uit geloof tot geloof, zoals geschreven is: Maar de rechtvaardige zal uit het geloof leven.

Tot slot

Het gaat om de rechtvaardiging uit geloof en niet om de gerechtigheid uit de wet. De Israëlieten die Christus afwezen, hebben dat niet begrepen. Zij bleven proberen om de wet te houden. Paulus citeert in dit gedeelte uit de wet om te laten zien dat ook in de wet al de gerechtigheid uit het geloof wordt gezien.

Wat ook al in het Oude Testament wordt geprofeteerd is dat de heidenen gered worden als ze de Naam van de Heer aanroepen. Zowel de heidenen als de Israëlieten moeten de Naam van de Here Jezus Christus aanroepen om gered te worden. Daarover meer in de volgende studie.

Direct door naar de volgende studie: Hoe lieflijk zijn de voeten: Rom.10:14-21
Alle studies van Romeinen die online staan: Blog Romeinenbrief

Vragen of opmerkingen zijn altijd welkom.
Als je mijn blog volgt, krijg je een mail als er een nieuwe blog online komt.
Volg je nog niet, zoek dan de knop “volgen” en vul je e-mail adres in. Lees je dit op een computer, dan staat de knop bovenaan. Lees je op een tablet of telefoon dan staat de knop onderaan.

Subscribe
Abonneren op
guest

1 Reactie
oudste
nieuwste
Inline Feedbacks
View all comments
Anja Bezemer
Anja Bezemer
2 maanden geleden

Dankjewel Jolande…..weer zo mooi uitgelegd.
Ook al heb ik het al zo vaak gelezen, dat ik sommige stukken bijna uit mijn hoofd ken.
Het is in mijn hart gegrift.
Heel veel zegen, lieve groet Anja❤️

Last edited 2 maanden geleden by Anja Bezemer
1
0
Ben benieuwd naar jouw mening, reageer gerust!x