Abraham door het geloof gerechtvaardigd: Rom.4:1-12

Inleiding

In deze studie gaan we zien hoe Abraham het voorbeeld is voor de gelovigen. In het vorige hoofdstuk van Romeinen hebben we ontdekt dat God de gelovige rechtvaardig rekent. Dit kan Hij doen omdat onze zonden toegerekend zijn aan Christus Jezus. God heeft Hem als middel tot verzoening aangewezen (Rom.3:24 en 25).
Hoofdstuk 3 eindigde met drie vragen waarop Paulus een kort antwoord gaf:

  1. Waar is de roem? Rom.3:27
    • Die is uitgesloten
  2. Is God alleen van de Joden of ook van de heidenen? Rom.3:28-30
    • Er is maar één God die besnedenen en onbesnedenen door geloof rechtvaardigt
  3. Hoe zit het met de wet? Rom.3:31
    • Wij doen de wet niet teniet maar bevestigen de wet

In hoofdstuk 4 gaat Paulus deze drie punten verder toelichten vanuit het Oude Testament. Hij laat zien dat rechtvaardiging altijd gegeven is aan degene die gelooft. Hij noemt Abraham en David als voorbeelden.

  1. Roem is uitgesloten: In de verzen 1 tot en met 7 laat Paulus zien dat Abraham en David zonder werken gerechtvaardigd zijn en zich nergens op konden beroemen
    • In de verzen 1, 2 en 3 stelt hij vast dat de Schrift leert dat Abraham rechtvaardig gerekend werd vanwege zijn geloof. Niet door zijn werken zodat er voor Abraham niets te roemen was.
    • In de verzen 4 en 5 geeft Paulus een voorbeeld uit de praktijk over werken en loon
    • In 6 en 7 haalt hij een Psalm van David aan. Ook David bevestigt dat God gerechtigheid toerekent zonder werken
  2. Geldt dit voorbeeld van Abraham en David alleen voor Joden of ook voor heidenen?
    • In de verzen 9 tot en met 12 kijkt Paulus opnieuw naar het voorbeeld van Abraham. Wanneer was de gerechtigheid toegerekend aan Abraham? Was dat voor of nadat hij besneden werd? Het was voordat hij besneden werd, zodat hij een voorbeeld kan zijn voor iedereen die gelooft, besneden of onbesneden
  3. Hoe zit het dan met de wet?
    • In de rest van hoofdstuk 4, verzen 13 tot en met 25, legt Paulus uit hoe het zit met de wet. Dat komt in de volgende studie aan de orde

Abraham geloofde: verzen 1, 2 en 3

1 Wat zullen wij dan zeggen dat Abraham, onze vader, wat het vlees betreft verkregen heeft?
2 Immers, als Abraham uit werken gerechtvaardigd is, heeft hij iets om zich op te beroemen, maar niet bij God.
3 Want wat zegt de Schrift? En Abraham geloofde God, en het is hem tot gerechtigheid gerekend.

In de verzen 1 tot en met 3 vraagt Paulus of Abraham de rechtvaardiging aan zichzelf (wat betreft het vlees) te danken heeft. Maar als hij het door werken gekregen heeft, dan zou hij iets hebben om zich op te beroemen. Roemen heeft dan met zijn eigen werken te maken en niet met God. Maar in Genesis staat dat Abraham geloofde.

Paulus haalt een vers aan uit Genesis 15. In dit gedeelte doet God de belofte aan Abram dat hij tot een groot volk zal worden. Abram brengt hiertegen in dat God hem geen nageslacht gegeven heeft. Hoe kan hij tot een groot volk worden als hij geen erfgenaam heeft? God verzekert hem dat iemand uit zijn lichaam geboren, zijn erfgenaam zal zijn. Dan laat God hem naar de sterren kijken: zo talrijk zal zijn nageslacht zijn:

Genesis 15:5 en 6
Toen leidde Hij hem naar buiten en zei: Kijk toch naar de hemel en tel de sterren, als u ze kunt tellen. En Hij zei tegen hem: Zo [talrijk] zal uw nageslacht zijn.
En hij geloofde in de HEERE, en Die rekende hem dat [tot] gerechtigheid.

Abram geloofde dat God zou doen wat hij beloofd had. Die belofte over een erfgenaam en nageslacht moest wel door God vervuld worden. Sara was onvruchtbaar (Gen.11:30). God rekende vervolgens Abrams geloof en vertrouwen tot gerechtigheid. Abram werd hierdoor niet ineens heilig en rechtvaardig. Hij werd rechtvaardig gerekend. Zijn status voor God was die van een gerechtvaardigde geworden omdat hij zijn geloof en vertrouwen op God had gesteld en niet op zijn eigen vlees.

Loon en werken: verzen 4 en 5

4 Aan hem nu die werkt, wordt het loon niet toegerekend naar genade, maar naar wat men [hem] verschuldigd is.
5 Bij hem echter die niet werkt, maar gelooft in Hem Die de goddeloze rechtvaardigt, wordt zijn geloof gerekend tot gerechtigheid.

In deze verzen geeft Paulus een voorbeeld uit de praktijk van ons leven. Iedereen die werkt, begrijpt dat het loon wat hij daarvoor ontvangt een schuld is die wordt ingelost. Een werkgever die loon betaalt doet dat niet uit genade maar omdat hij het verschuldigd is aan degene die voor hem gewerkt heeft. Als God ons rechtvaardigt is dat niet omdat Hij ons iets schuldig is. Hij rechtvaardigt ons uit genade, wanneer we niet werken maar geloven. In de Efezebrief zegt Paulus het zo:

Efeze 2:8-10
8 Want uit genade bent u zalig geworden, door het geloof, en dat niet uit u, het is de gave van God;
9 niet uit werken, opdat niemand zou roemen.
10 Want wij zijn Zijn maaksel, geschapen in Christus Jezus om goede werken [te doen], die God van tevoren bereid heeft, opdat wij daarin zouden wandelen.

Paulus stelt hier werken tegenover genade. Gods gave is dat we uit genade zalig geworden zijn door het geloof. Let op: hier staat niet dat het geloof de gave van God is. Hoewel je de Nederlandse vertaling zo zou kunnen lezen, kan dat in de Griekse grondtekst niet. In het Grieks is duidelijk dat Paulus met de gave niet naar het geloof verwijst maar naar het zalig worden.

Daarom is er voor ons niets te roemen. Wij kunnen zelf niets doen om zalig te worden. God schenkt het ons uit genade wanneer we geloven en ons vertrouwen stellen op het verzoeningswerk van Jezus Christus. Niet ons eigen werk rechtvaardigt ons, maar Zijn werk rechtvaardigt ons.

David geciteerd: verzen 6, 7 en 8

6 Zoals ook David de mens zalig spreekt aan wie God gerechtigheid toerekent, zonder werken:
7 Welzalig zijn zij van wie de ongerechtigheden vergeven, en van wie de zonden bedekt zijn,
8 welzalig [is] de man aan wie de Heere de zonde niet toerekent.

Dan noemt Paulus een andere belangrijke persoon uit het Oude Testament. David spreekt ook de mens gelukkig aan wie God gerechtigheid toerekent zonder werken. Hij citeert uit Psalm 32:1 en 2.

Psalm 32:1 en 2
1 Een onderwijzing van David. Welzalig is hij van wie de overtreding vergeven, van wie de zonde bedekt is.
2 Welzalig de mens wie de HEERE de ongerechtigheid niet toerekent, en in wiens geest geen bedrog is.

Als we de hele Psalm lezen dan zien we dat David zich bewust was van zijn zonden (Ps.32:3-5). Hij besefte dat hij vergeving nodig had en schuldig stond tegenover God. Paulus laat zien dat ook David niet kon roemen tegenover God omdat hij afhankelijk was van Gods genade en vergeving.

Abraham vader van alle gelovigen: verzen 9 – 12

9 [Geldt] deze zaligspreking nu [alleen] voor besneden [mensen] of ook voor onbesneden [mensen]? Wij zeggen immers dat aan Abraham het geloof gerekend is tot gerechtigheid.
10 Hoe is het [hem] dan toegerekend? Toen hij besneden was of als een onbesnedene? Niet als besnedene, maar als onbesnedene!
11 En hij heeft het teken van de besnijdenis ontvangen [als] een zegel van de gerechtigheid van [het] geloof [dat hij had] toen hij [nog] onbesneden was, opdat hij een vader zou zijn van allen die geloven, [hoewel zij] onbesneden [zijn], opdat ook hun de gerechtigheid toegerekend zou worden;
12 en om een vader te zijn van [hen die] besneden [zijn], voor hen [namelijk] die niet alleen besneden zijn, maar die ook wandelen in de voetsporen van het geloof van onze vader Abraham [dat hij had] toen hij [nog] onbesneden was.

In deze verzen keert Paulus terug naar het voorbeeld van Abraham. Nu stelt hij de vraag wanneer de rechtvaardigheid aan Abraham werd toegerekend. Was hij toen besneden of onbesneden?

Verbondssluiting

In vers 3 citeerde Paulus een gedeelte uit Genesis 15. Daar is in het leven van Abram nog helemaal geen sprake van besnijdenis. Na de verzen waarin God de belofte doet aan Abram, lezen we, ook in hoofdstuk15, hoe God een verbond met hem sluit. Dat ging volgens de gebruiken van die tijd. Twee partijen die een verbond wilden sluiten, doodden een dier en deelden het karkas in tweeën. De stukken legden ze tegenover elkaar. Vervolgens liepen ze beiden tussen de stukken door. Als een van de partijen zich niet aan de afspraken van het verbond zou houden, mocht hij worden als het door midden gehakte dier. Zie voor dit gebruik Jeremia 34:18 en 19.

Abram deelt de dieren en legt ze neer. Vervolgens wacht hij en jaagt de aaseters weg die op de karkassen af komen. Maar de Heer komt pas nadat het donker is geworden en Abram in een diepe slaap is gevallen. De Heer gaat Zelf als een rokende oven en een brandende fakkel tussen de stukken door (Gen.15:7-18).

Het verbond is zo een belofte van God geworden, zonder dat Abram tussen de stukken door is gegaan. De belofte staat vast en kan niet verbroken worden, God is immers betrouwbaar.

De besnijdenis

Vele jaren later, als Abram negenennegentig jaar oud is, herhaalt de Heer Zijn belofte. Inmiddels is Ismaël geboren, maar Sara heeft nog steeds geen kind. In Genesis 17:5 staat dat God de naam Abram verandert in Abraham en Hij belooft opnieuw dat uit Abraham een groot volk zal voortkomen. Dan stelt Hij de besnijdenis in:

Genesis 17:9-11
9 Verder zei God tegen Abraham: En wat u betreft, u moet Mijn verbond in acht nemen, u en uw nageslacht na u, [al] hun generaties door.
10 Dit is Mijn verbond dat u moet houden tussen Mij en u en uw nageslacht na u: al wie mannelijk is bij u moet besneden worden.
11 U moet het vlees van uw voorhuid laten besnijden en [dat] zal een teken zijn van het verbond tussen Mij en u.

Het teken van de besnijdenis kwam dus pas 14 jaar nadat God de belofte aan Abraham had bevestigd met de verbondssluiting.

Dit is belangrijk zegt Paulus. Omdat daaruit blijkt dat Abraham al geloofde en rechtvaardig gerekend werd ruim voordat hij de besnijdenis ontving. Op die manier kan hij een vader zijn voor allen die geloven. Paulus houdt de volgorde aan die we ook chronologisch in Genesis vinden. Abraham is een vader van de onbesnedenen, omdat hen de gerechtigheid wordt toegerekend als ze geloven (vers 11). En hij is een vader van de besnedenen, als ze niet alleen besneden zijn, maar ook net zoals Abraham geloven (vers 12).

Tot slot

In dit gedeelte van de Romeinenbrief leren we dat Abraham een voorbeeld is voor alle gelovigen. Abraham werd rechtvaardig verklaard door God omdat hij geloofde en zijn vertrouwen stelde op Gods belofte. Ook wij worden, net als Abraham, rechtvaardig verklaard als we geloven en vertrouwen op Gods werk en Zijn genade.

Niet door eigen werken of inspanning en daarom is roemen in eigen verdienste uitgesloten. Bovendien leert het voorbeeld van Abraham ons dat er geen onderscheid is tussen een Jood, die besneden is en een heiden die onbesneden is.

Volgende keer gaan we verder met hoofdstuk 4 waar Paulus nog meer te zeggen heeft over de wet en over Abraham.
Verder met de volgende studie: Abraham door het geloof gerechtvaardigd (2): Rom.4:13-25

Eerdere studies van Romeinen zijn hier te vinden: Romeinen studies
Vragen of opmerkingen zijn altijd welkom.

Als je mijn blog volgt, krijg je een mail als er een nieuwe blog online komt.
Volg je nog niet, zoek dan de knop “volgen” en vul je e-mail adres in. Lees je dit op een computer, dan staat de knop bovenaan. Lees je op een tablet of telefoon dan staat de knop onderaan.

Subscribe
Abonneren op
guest
2 Reacties
oudste
nieuwste
Inline Feedbacks
View all comments
Anja Bezemer
Anja Bezemer
3 maanden geleden

Mooi Jolande….bedankt voor je duidelijke uitleg. Heerlijk om zo mijn bijbel te lezen.
Lieve groet en zegen, anja

2
0
Ben benieuwd naar jouw mening, reageer gerust!x
()
x